Leidsch Dagblad (februari 2009) [NL]
Geen clavecimbel maar een fortepiano wacht in de intieme Baljuwzaal op haar bespeelster Anneke Veenhoff. Een strak en kloek instrument dat de basis vormt van het Trio Van Hengel, in combinatie met een bijzonder fraaie (Basset)klarinet en een krachtige cello. Mozarts Grande Sonate in A, aanvankelijk een klarinetkwintet, is in 1809 herschreven voor bassetklarinet en fortepiano. Met deze bewerking van wellicht Mozarts vriend Anton Stadler, de enige bassetklarinettist van zijn tijd, opent Van Hengel als duo zijn middagconcert. Het fraaie houten instrument in de merkwaardige vorm van een lange Goudse pijp, is bepaald geen ‘moderne’ klarinet, lijkt ook moeilijker bespeelbaar, het geluid is droger, weent iets minder en kan vier tonen lager spelen. Het Allegretto begint sober in legato frasen die meer ingetogen dan opgewekt klinken. ’t Is echt even wennen. Mozarteske lichtheid komt pas als het zachte pedaal de klank fluwelig beïnvloedt en de nootjes gaan vlinderen. Het waarachtige samenspel laat even op zich wachten; Anneke Veenhoff moet de ruimte nog aftasten. Pas in het pastorale Larghetto komen pianist en klarinet elkaar nader, kleuren de instrumenten warmer en meer op elkaar gericht. En in het Menuet gaat het samenspel sprankelen, krijgt het lieflijke momenten met lichte staccato lijntjes. Van Bruggen gaat steeds consistenter, muzikaler spelen. In het Allegretto vallen de twee klankkleuren mooi óp en in elkaar, laat Van Bruggen, vooral in het lage register, de klank smelten als romige meiboter.
Voor de minder bekende Potpourri in Es van Anton Eberl (1765-1807) komt de cellist Brüggen erbij. Ook hier zijn de aanvankelijk repeterende noten op de fortepiano wat te zwaar, overigens goed gepareerd door de cello. Al tijdens het eerste deel wordt de conversatie tussen de drie instrumenten spannender, dynamischer, glansrijker. Swingt de klassieke klarinet bij tijd en wijle, rammeit Brüggen zijn snaren, en houdt Veenhoff ons meesterlijk ‘vertellend’ bij de les.
En zoals dat heel gewoon was in de 18e eeuw, horen we na de pauze een door Beethoven zelf geschreven bewerking van zijn Septet op. 20, het Trio in Es, waarin de cellist zich in het eerste deel te snijdend profileert. Verderop in het Allegro con brio wordt het samenspel pittiger, pikanter, met ruimte voor weke, sensuele passages. In het Menuet spoort Albert Brüggen niet altijd haarzuiver, terwijl de klarinet juist de meest verfijnde lijnen in pasteltinten uitzet. Het gepunteerde ritme van het Thema wordt fiks uitgebuit in heerlijk scherp spetterend spel. Veenhoff speelt steeds lichtvoetiger, meer ontspannen, virtuozer. Trio Van Hengel maakt van Beethoven een vrolijk optimistisch man, die de spot drijft met z’n aankomende doofheid; zo expressief en bevlogen wordt hier gemusiceerd!
Lidy van der Spek